login | contact | nieuwsbrief

Volg ons op         

    

De publieke stadstuin als prikkel voor de groene stad   Eric-Jan Pleijster, LOLA landscape architects     Als ik aan de tuin uit m’n jeugd denk, dan zie ik de tuin van m’n ouders weer voor me. Een rechthoekig stuk ...


Tuinieren op de groene restjes

De publieke stadstuin als prikkel voor de groene stad

 

Eric-Jan Pleijster, LOLA landscape architects

 

Schermafbeelding 2015-08-29 om 13.05.25

 

Als ik aan de tuin uit m’n jeugd denk, dan zie ik de tuin van m’n ouders weer voor me. Een rechthoekig stuk grond van ongeveer twaalf meter diep en acht meter breed. Een terras van grindtegels bij de tuindeur, twee borders van vaste planten aan de zijkanten en in met midden een kort gemaaid gazon met grindtegels naar het tuinhuis. Maar ik denk ook aan de moestuin, dat we het landje noemden. Dat lag aan de rand van het dorp. Terwijl ik er op zaterdagen onkruid wiedde, schoffelde en oogstte, keek ik naar de koeien in de wei. Die twee tuinen, de moestuin en de siertuin, waren volledig van elkaar verschillend. De ene was voor het plezier en de rust, de ander voor het nut.

Nu woon ik in Rotterdam, mídden in de stad. En als ik om me heen kijkt, lijkt het of er iets in de tuin aan het veranderen is. De moestuinen liggen bijvoorbeeld niet meer aan de rand van de stad, maar tussen de gebouwen. Of erop: er wordt volop getuinierd op de daken van tijdelijk leegstaande gebouwen. En er worden groenten verbouwd op braakliggende terreinen in de haven. De bonen, bieten en pastinaak worden niet alleen bewaard in de eigen diepvries, maar worden ook verkocht op oogstmarkten en opgediend door lokale restaurants. Ze zijn er niet alleen voor het nuttige, deze stadse moestuinen, maar ook voor het aangename. Het zijn plekken waar mensen uit de hele buurt samenkomen om te tuinieren, maar ook om met elkaar thee te drinken, te debatteren of te feesten.

Voedseltuin Rdam

 

Stadslandbouw is nu ongekend populair, maar hoe is dat eigenlijk zo gekomen? Een veelgehoorde verklaring is dat het voortkomt uit de aandacht die er voor de klimaatcrisis was, nog voorafgaand aan de financiële crisis. De klimaatcrisis was wereldwijd, ingewikkeld en ongrijpbaar. ­­Stadsboeren was voor velen een manier om op een bewuste manier met eten en met de omgeving om te gaan en zo de klimaatcrisis begrijpbaar te maken. Alsof je met een schoffel de klimaatcrisis aan kon. Én de financiële crisis. Want mensen werden prijsbewuster en door een stadsmoestuin te onderhoud viel er ook geld te besparen. En dus plukten m’n mede-Rotterdammers bonen en aardbeien van braakliggende terreinen en samen met gelijkgestemden bedachten ze plekken als de ‘Pluktuin’, de ‘Tuin van Tante Sien’ of het ‘Essenburgpark’.

Door de financiële crisis was er plots ook meer ruimte in de stad. Er stonden panden leeg, en er werden terreintjes niet beheerd. Het was even wennen voor de gemeente, maar ze waren maar wat blij dat er groepjes bewoners waren die zich juist over die plekken wilden ontfermen. Regels waren er nauwelijks, het was gemakkelijk om een vergunning voor een stukje grond te krijgen. En op die terreintjes was er vrijheid: veel minder regels en veel meer ruimte om dingen zelf te regelen, zelf in te richten en zelf te gebruiken. Vaak even publiek toegankelijk als de gewone stadsparken, maar veel spontaner opgezet en kleurrijker ingericht. Want in deze stadstuinen staat duurzaamheid gelukkig niet gelijk aan onderhoudsvrij, hufterproof en een zo lang mogelijke levensduur. Hier betekent duurzaamheid: wat werkt dat blijft, en wat niet werkt, verdwijnt weer.

Dit is natuurlijk niet alleen gaande in Rotterdam. Er zijn honderden, zo niet duizenden initiatieven in Nederland voor gedeelde stadstuinen, buurtuinen, proeftuinen, natuurspeeltuinen en stadsakkers: bevlogen initiatieven van mensen de omgeving mooier en groener willen maken. Er wordt vaak hoog over opgegeven, de burgerinitiatieven, ontstaan vanuit een lokale behoefte, met weinig middelen tot de beschikking en veel plezier tot resultaat. Terwijl er vanuit de gemeente steeds minder inrichtings- en onderhoudsgeld voor de grote parken is, steken de mensen zelf kostbare tijd en energie in het oplappen van kleine stukken groen in de stad.

Maar even serieus, wat levert het werkelijk op, wordt de stad er ook mooier en groener van? Is het geen verspeelde energie, al die kleine initiatieven, is het niet slechts kneuterig gefröbel op een te kleine schaal, met te beperkte middelen? Om die vraag te kunnen beantwoorden heb ik met mijn bedrijf een kaart van Rotterdam gemaakt, met een weergave van alle particuliere tuininitiatieven en de bestaande stadsparken. Eruit blijkt hoe verassend veel tuininitiatieven er in Rotterdam zijn, en hoe bijzonder weinig stadsparken. Het zijn grote parken weliswaar, maar een groene dooradering van de stad, iets dat de stad aangenaam maakt om in te wonen en werken, ontbreekt. Maar wellicht kunnen de tuininitiatieven daar een verandering in brengen, als het geheel ervan op een hogere schaal bekeken en benaderd wordt.

De terreinen van veel tuininitiatieven liggen op onbeheerde hoekjes, braakliggende gronden, vergeten oevers en verwilderde bermen; natuurlijke plekken waar vaak decennia lang niet of nauwelijks door de gemeente is beheerd. Door die groene restjes met elkaar te verbinden ontstaat een samenhangende ‘alternatieve’ groenstructuur in Rotterdam. Dit alternatieve groen is vaak onverwachts natuurlijk, verwilderd, spontaan, gevarieerd, spannend en onverwacht: heel anders dan al het andere groen van de Rotterdamse singels en parken met het gemaaid gras en hoog opgekroonde bomen. De tuininitiatieven kunnen dé prikkel zijn om deze alternatieve groenstructuur te behouden en verder te ontwikkelen, zodat Rotterdam eindelijk die groene stad worden die het graag wil zijn. Dus ja: publieke stadstuinen kunnen wel degelijk bijdragen aan de stad, maar alleen als we bereid zijn op een andere schaal naar die tuinen te kijken, anders blijft het bij kneuterig gefröbel. En voor wie zelf zaait, schoffel en plukt, is daar ook niets mis mee.