login | contact | nieuwsbrief

Volg ons op         

    

Door het uitgeven van speciale publicaties verspreidt de NTs kennis op het gebied van tuinarchitectuur, tuinkunst en historisch groen erfgoed.


Tuinarchitecten uit de jaren twintig en dertig: door Thodoor Johan Dinn (1876-1931)

In 1927 organiseerden de pas opgerichte Bond van Nederlandse Tuinarchitecten (BNT) en de Haagsche Kunstkring een tuinkunsttentoonstelling op het Binnenhof. Een van de leden van het organisatiecomité was de Haagse tuinarchitect Theodoor Johan (Th.J.) Dinn. In zijn werk richtte hij zich vooral op de in die tijd opgekomen villatuinen. Daarbij was hij een groot pleitbezorger voor eenheid tussen huis en tuin. Voor Dinn waren planten het voornaamste bouwmateriaal in de tuin. In zijn tuinontwerpen bracht hij deze beginselen tot uiting.

 

Levensloop

De in 1876 in Nijmegen geboren Dinn verbleef na zijn opleiding aan de tuinbouwschool van 1898 tot 1905 ondermeer in Engeland, waar hij werkte op kwekerijen en in de botanische tuinen van Kew. Daarnaast werkte hij in Frankrijk en op Tenerife. Terug in Nederland werd hij door Baronesse van Brienen aangesteld als directeur van de Clingendaalsche Kwekerijen in Den Haag, waar vooral vaste planten en rotsplanten werden geteeld. Hij gaf lezingen over planten, schreef artikelen en boeken over tuinaanleg, nam deel aan plantententoonstellingen en verlegde ten slotte zijn aandacht geheel naar de tuinarchitectuur. In 1920 verliet hij de Clingendaalsche Kwekerijen en begon hij als zelfstandig tuinarchitect in Den Haag. Midden jaren twintig had hij hiermee een florerend bedrijf. Onder andere de latere mevrouw Canneman-Philipse, bekend van onder meer haar tuin bij het Hof van Walenburg en het Vredespaleis, werkte bij hem. Hij ging een samenwerking aan met de Kwekerij C.G. van Tubbergen uit Haarlem, aldus er voor zorgend dat ‘goede planten en bolgewassen een goede plaatsing in den tuin krijgen en op de voordeeligste manier worden gerangschikt’. Dinn stierf in 1931.

 

Huis en tuin een geheel

Dinn vond dat huis en tuin bij elkaar hoorden. Zij moesten vanaf het begin als een geheel worden beschouwd. Elk deel van de tuin moest vanuit een kamer in het huis kunnen worden bekeken alsof het er speciaal voor gemaakt was. Met deze uitgangspunten sloot Dinn geheel aan bij de opvattingen van ontwerpers in zijn tijd zoals Dirk Tersteeg, Co Brandes en K.P.C. de Bazel, die allen werkten in de architectonische tuinstijl.

Dinn ontwierp vooral particuliere tuinen. Qua stijl maakte hij daarbij onderscheid tussen kleinere en grote tuinen. Voor kleinere tuinen gebruikte Dinn de architectonische tuinstijl; een stijl die gekenmerkt wordt door rechte lijnen en veel metselwerk en die heel geschikt was voor tuinen van beperktere omvang (villatuinen). Dinn nam het huis als uitgangspunt, waarbij hij lijnen vaak loodrecht projecteerde op deuren of vensters.
In zijn tuinen bracht hij bovendien niveauverschillen aan. Het middendeel van de tuin, een gazon of soms een verharde plaats, lag vaak lager, omringd door een hoger gelegen pad of borderbeplanting. Gemetselde keermuren en trappen werden gebruikt voor de overgang van laag naar hoog. Kenmerkend voor Dinn’s tuinen was het gebruik van verhoudingsgewijs veel en zwaar metselwerk. Muren werden voorzien van extra steunberen en dwarsranden. Op het laagste niveau kon een waterbassin zijn aangebracht, vaak weer met een gemetselde bovenrand en geometrisch van vorm, rond of rechthoekig.
De strakke inrichting kon losser worden gemaakt door het gebruik van stepping stones tussen de beplanting of in het gazon (losse stapstenen als een eiland in het groen), of door een slingerend pad. Ook kon een slingerende begrenzing tussen gazon en border hiervoor worden gebruikt.
Verharde stenen paden, recht of slingerend, vormden samen met de stepping stones een rondwandeling door de tuin. Voor de verharding van de paden en terrassen gebruikte hij graag natuurstenen platen (flagstones), rechthoekig maar onregelmatig gevormd. Voor de slingerende paden en stepping stones werden onregelmatig gevormde stenen gebruikt. Ook verharding met gebakken klinkers was mogelijk.

Grote tuinen ontwierp Dinn in de gemengde stijl, een tuintype daterend uit de negentiende eeuw. Rond het huis werd een geordende, geometrische tuin aangelegd met rechte lijnen, terrassen, trappen en keermuren (net als bij de architectonische stijl). Ook hier was het ontwerp zo gekozen, dat deze optimaal aansloot op de indeling van het huis, vaak met gebruik van (een stelsel van) symmetrieassen. Dit geometrische geheel werd dan ingebed in een lossere, meer landschappelijk aangelegde tuin verder van het huis af, met golvende patronen, slingerende paden en boom- en heestergroepen. Tuinhuisjes werden zo geplaatst, dat vandaar uit genoten kon worden van nauwkeurig geplande zichtlijnen door de tuin.

 

Planten als voornaamste bouwmateriaal

Alhoewel het bovenstaande de indruk geeft dat harde materialen de overhand hadden, was Dinn in hart en nieren een plantenman. “Planten vormen het voornaamste bouwmateriaal in den tuin” zegt hij in zijn boek ‘De Villatuin’. De tuin moest er zijn voor de planten en de aanleg was hierop ingericht.
Binnen het strakke ontwerp werden weelderige borders ontworpen, die het formele beeld met hun uitbundige bloei moesten doorbreken. Voor de bloemborders heeft hij nadrukkelijk gekeken naar de Engelse herbaceous borders: borders gevuld met afwisselend bloeiende vaste planten, soms ook tweejarigen, gevarieerd in hoogte en vorm, met daartussen groenblijvende heesters om de winterse kaalheid te doorbreken en ‘s zomers een rustpunt in de bloemmassa te geven. Hij gebruikt een losse, ‘natuurlijke’ beplanting in groepen, die moet voorkomen dat er gaten vallen in het bed bij uitbloei. Uitgebloeide planten moeten als het ware weer worden verstopt achter andere, omringende planten. De borders legt hij bij voorkeur tegen een muur of haag, die beschutting en achtergrond geven. Een muur laat hij in dat geval graag begroeien met klimplanten. Voor het mooiste effect kan een border het beste grenzen aan het gazon. Naast de border wordt de rest van de strakke aanleg verzacht door bewust gemaakte nissen in keermuren en kieren in de padverharding te vullen met rotsplanten, klimmers of hangplanten, die het stenige beeld verzachten.
Rotsplanten konden ook gebruikt worden voor rotstuinen. Dinn stelde daar wel beperkingen aan. Vereist waren een voldoende grote tuin en bij voorkeur een duidelijk aanwezig hoogteverschil. Stenen waren nodig, maar het mocht niet ontaarden in berglandschap. Belangrijk was vooral dat bij een rotstuin elke gedachte aan een ‘“regelmatige tuin of gebouw” wordt uitgesloten. Dit maakt dat rotstuinen alleen voor grotere tuinen geschikt zullen zijn geweest.

In de jaren twintig ontwierp Dinn vooral tuinen voor particulieren. Hij maakte tuinen met een strak, geometrisch ontwerp met veel metselwerk elementen, die hij verluchtigde met uitbundige vaste plantenborders en natuurlijke beplanting. Zijn ontwerpen waren kenmerkend voor de villatuinen in de architectonische stijl.

 

Bron:

Eric Blok: Nederlandse Tuinarchitectuur, Bussum 1997.

Th.J. Dinn: De Villatuin, Amsterdam 1929.

Gerritjan Deunk: Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur van de 20e eeuw, Rotterdam 2002.

<kader>

Waar in het begin van de twintigste eeuw de Nederlandse tuinarchitectuur nog veel aandacht had voor buitenplaatsen, ontwikkelde zich in de jaren twintig een nieuw gebied: de villatuin. Dit bracht een nieuwe tuinstijl met zich mee, die door een nieuwe generatie tuinarchitecten werd omarmd: de architectonische tuinstijl. In een tentoonstelling op het Binnenhof in 1927 exposeerden zij hun werk. In een reeks van vier artikelen belichten Hanny van der Heide, Anneke Meijsen en Heino van Rijnberk het leven en werk van een aantal van hen. Dit is het laatste artikel in deze reeks.

 


Bestel studie