login | contact | nieuwsbrief

Volg ons op         

    

Door het uitgeven van speciale publicaties verspreidt de NTs kennis op het gebied van tuinarchitectuur, tuinkunst en historisch groen erfgoed.


Tuinarchitecten uit de jaren twintig en dertig: Tine Cool (1887-1944)

In voorgaande Tuinjournaals is aandacht besteed aan de Tuinkunsttentoonstelling van 1927 op het Binnenhof. Tine (Catharina) Cool was een van de deelnemers, als een van de weinige vrouwen. Zij speelde een bijzondere rol in de tuinarchitectuur van de jaren twintig en dertig.

 

Schrijfster, tuinarchitecte en meer

Tine Cool was allereerst schrijfster. Over een verblijf in Italië, waar haar vader een tijd als kunstschilder werkte, schreef ze in 1928 Wij met ons vijven in Rome. Het was niet alleen een geslaagd meisjesboek, ook de natuurbeschrijvingen in dit boek zijn opvallend.

Het vier jaar durende verblijf in Italië en haar zeer zorgeloze vader, die ze verafgoodde, zullen een inspiratie zijn geweest voor haar kleurgevoel en brede creativiteit, zoals uit verschillende bronnen blijkt.

Daarnaast werkte ze op een kwekerij, was erg geïnteresseerd in bloemen en planten en schreef er graag over. Zo verschenen er wel zo’n zeventig artikelen van haar hand in diverse tijdschriften.

In 1919 adverteerde zij met het ‘aanleggen en bloemrijker maken van tuinen’ en ging zij als tuinarchitecte aan de slag.

Bovendien is zij vanaf de oprichting betrokken bij de Bond van Nederlandse Tuinarchitecten (B.N.T.) en was zij meer dan twintig jaar actief als secretaresse van de afdeling Naarden- Bussum van de Ned. Mij. van Tuinbouw en Plantkunde (nu ook bekend als Groei&Bloei). Tine Cool toonde een enorme inzet en betrokkenheid, ondanks haar zwakke gezondheid.

 

 

Schoonheid ………..

Er zijn slechts elf tuinontwerpen van haar bekend. Alle uit de periode 1920 – 1940 en alle voor tuinen in Bussum of omgeving.

Zij zag het vak van tuinarchitect als een kunstvorm, met een grote verantwoordelijkheid en het vermogen om de mensen vreugde te geven. Een tuin moest zorgvuldig worden aangelegd, met een geheel eigen sfeer en karakter, met cadans en samenhang. Ook de relatie tussen huis en tuin was voor haar essentieel: “Het is de grote opgave in ons land, waar veel meer dan in de tuinen in de kamers wordt gewoond, om de tuinen tot de kamers te brengen en zodoende de tuinen tot een nog groter genot te brengen voor de bezitters”.

De opzet van haar ontwerpen, of van de tuinen die zij verfraaide, was meestal rechtlijnig en strak. Daarbinnen werd veel plaats ingeruimd voor weelderige, bloeiende borders.

Haar doel was steeds een mooi samenhangend geheel te maken van bloeiende vaste planten, heesters en bomen. ‘Plantengemeenschappen’, zoals zij dat noemde, waar het hele jaar van te genieten viel. Voor haar hadden planten, buiten de korte bloeiperiode, een blijvende schoonheid. Een nieuwe visie voor die tijd. Daaruit, maar vooral uit haar vele publicaties, bleek ook steeds haar uitgebreide kennis van beplanting.

Deze benadering  bij het ontwerpen en inrichten van de tuin werd onder meer mogelijk, en lag ook meer voor de hand, omdat de tuinen kleiner van omvang werden. Deze ontwikkeling werd op de Haagse tentoonstelling van 1927 ook expliciet benoemd in een toespraak van de heer Hugo Poortman, voorzitter van de B.N.T.: “De groote landgoederen van vroeger jaren verdwijnen langzamerhand. De lasten worden te hoog! De toekomst is aan den kleinen tuin!” (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 18-09-1927)

 

 

…….en ‘nuttig werk’

Diverse publicaties benadrukken op de een af andere manier haar volstrekt eigen stijl:

“Haar wijze van opwerken der tekeningen heeft iets origineels, iets eigens, dat wel aardig aandoet, doch men moet zich wachten deze methode na te volgen, daar ze dan haar geheel eigen karakter zou verliezen”. (Het Vaderland, 22-09-1927)

Tegelijk viel het op dat zij zich niet alleen met villatuinen, maar ook met openbare ofwel gemeenschapstuinen en schooltuinen bezighield. “…Mejuffrouw Tine Cool te Bussum beweegt zich gaarne op het gebied der gemeenschapstuinen, een nieuwe richting waarin nog veel te bewijzen valt…”. En over haar bemoeienis met schoolwerktuinen: “Mogen dergelijke ontwerpen al niet het maximum van schoonheid geven, daar staat tegenover, dat de ontwerpen door de hem voorgeschreven praktische bruikbaarheid van den tuin direct gevoelt, een nuttig werk te doen” (beide citaten uit Nieuwe Rotterdamsche Courant, 23-09-1927).

Ook gaf zij nog beplantingsadviezen voor bermen langs Rijkswegen, zoals blijkt uit een artikel in het Vaderland van 14-10-1932.

Zoals gezegd, maakten diverse kranten destijds melding van haar aanwezigheid op verschillende tuintentoonstellingen, niet alleen in Nederland (zoals natuurlijk de tuinkunsttentoonstelling van 1927) maar ook in het buitenland, zoals in Madrid in 1929, waar zij samen met de heren Dinn en Roeters van Lennep exposeerde.

 

 

Mannenbolwerk

In de jaren twintig was de tuinarchitectuur nog een mannenbolwerk. Maar een bijzondere vrouw als Tine Cool zag toch kans zich met haar al genoemde duidelijke eigen opvattingen, publicaties en ontwerpen een plek te veroveren. Daarbij had zij wel veel contact met haar, meestal mannelijke, collega-tuinarchitecten, alsook met bouwkundig architecten vanwege het grote belang van de relatie tussen huis en tuin.

Naast ‘mejuffrouw’ Tine Cool, zoals zij steeds werd aangeduid, waren in die tijd onder andere ook de ‘mejuffrouwen’ Bouwens en Faber actief.

Haar tijdgenoten en collega-tuinarchitecten schreven niet zoveel over haar ontwerpen en zagen haar meer als een schrijfster dan  als een tuinarchitecte. Wel complimenteerde bijvoorbeeld de heer J.P. Fokker haar in zijn boek ‘Tuinen in Holland’ met de bloemenzee en groepering van planten in diverse tuinen: “Het dunkt ons niet zonder beteekenis, dat dit het werk is van een jonge vrouw en dat in onze tijd veel meisjes neiging voelen tot het tuinarchitectschap. Zulk werk, zulk minutieus ingaan op de sfeer van het kleinere gewas, past bij het vrouwelijk sentiment”.

Toch beperkte Tine zich niet alleen tot het papier en het ‘minutieuze werk waar vrouwen zo geschikt voor zijn’, zoals Fokker schreef. Ze heeft zelf ook praktisch tuinwerk gedaan op een kwekerij en was veel in de tuinen en de natuur te vinden. Hieruit blijkt dat, ondanks dat in ons land “veel meer dan in tuinen in de kamers wordt gewoond”, Tine Cool in ieder geval vele uren in de tuin aan het werk is geweest en zich niet tot de theorie beperkte.

 

Anneke Meijsen

 

Bronnen:

‘Tuinarchitectuur tussen 1900 en 1940’, NTA III, 1992 – Eric Blok; ‘Tine Cool, schrijfster en tuinarchitecte’, Onze Eigen Tuin, winter 2010 – Gerrit Jan Deunk;‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’, deel West, 1998 – Carla S. Oldenburger-Ebbers e.a.;‘Tine Cool, nog wat (kranten) snippers’, dec. 2010, Cascade-weblog –  Jan Holwerda.

 

Waar in het begin van de twintigste eeuw de Nederlandse tuinarchitectuur nog veel aandacht had voor buitenplaatsen, ontwikkelde zich in de jaren twintig een nieuw gebied: de villa-tuin. Dit bracht een nieuwe tuinstijl met zich mee, die door een nieuwe generatie tuinarchitecten werd omarmd: de architectonische tuinstijl. In een tentoonstelling op het Binnenhof in 1927 exposeerden zij hun werk. In een reeks van vier artikelen belichten Hanny van der Heide, Anneke Meijsen en Heino van Rijnsberk het leven en werk van een aantal van hen. Dit is het derde artikel in deze reeks.

 


Bestel studie