login | contact | nieuwsbrief

Volg ons op         

    

Als donateur steunt u de doelstellingen van de Nederlandse Tuinenstichting; het beschermen van waardevol tuinhistorisch erfgoed. De Nederlandse Tuinenstichting heeft uw steun hard nodig om een groene toekomst te kunnen waarborgen.


Cascade symposium: Verdwenen tuinen in Nederland en hun beleving door tijdgenoten

Ronde Tafel Conferentie van Cascade op 24 maart 2018

De jaarlijkse Ronde Tafel Conferentie van Tuinhistorisch Genootschap Cascade zal in 2018 in het teken staan van ‘verdwenen tuinen in Nederland en hun beleving door tijdgenoten’.
Veel tuinhistorisch onderzoek richt zich op de historische ontwikkeling van tuinen en parken die tegenwoordig nog bestaan, naar de gelaagdheid van de achtereenvolgende ontwikkeling in vormgeving en beplanting. Daarnaast is er het nodige onderzoek gedaan naar verdwenen tuinen en parken die bekend zijn gebleven door afbeeldingen en schriftelijke bronnen, en die mede daarom voor ons begrip van de tuingeschiedenis van betekenis zijn.


Verdwenen tuinen en parken in ons land

De definitie van een verdwenen tuin of park beperken wij in dit geval tot een aanleg uit het verleden die thans niet meer bestaat omdat zijn plaats is ingenomen door bijvoorbeeld een weiland, een parkeerplaats, een woonwijk of een bedrijventerrein. Deze tuinen zijn verdwenen, weggewist, zelfs een herinnering is op die plaats niet bewaard gebleven. Echter, een tuin die in later tijd, zoals zo dikwijls het geval, in een nieuwe aanleg is veranderd of erdoor is vervangen, rekenen wij in dit kader niet tot de categorie ‘verdwenen tuinen’: al is deze in de loop der tijd drastisch veranderd, er is altijd een tuin aanwezig gebleven. Voor een goed begrip van de Nederlandse tuingeschiedenis zijn die verdwenen tuinen en parken net zo belangrijk als de thans nog bestaande.

 


Leeuwendaal in Rijswijk. Litho door P.J. Lutgers, 1855


Bezoekers van toen

Om verdwenen tuinen en parken te kennen, zijn we aangewezen op de ooggetuigen uit het verleden. Hoe zagen tijdgenoten de tuinen uit hun tijd, die nadien zijn verdwenen, en die wij dus niet uit eigen aanschouwing, maar slechts uit documentaire bronnen (menen te) kennen?
Hoe zat het met de beleving van Nederlanders en buitenlandse bezoekers die in vroeger tijden door het gebied van het huidige Nederland reisden? Welke tuinen en parken waren in hun ogen belangrijk en waarom? Ging het daarbij om het prestige van de eigenaar of ontwerper? Of om de kwaliteit van de architectuur van tuin, park en gebouwen? Of om de planten- of bomencollectie?
Waren de verdwenen tuinen die we tegenwoordig van belang vinden voor een goed begrip van de Nederlandse tuingeschiedenis, in hun eigen tijd wel zo invloedrijk als wij veronderstellen? Of waren er andere, die we nu niet of nauwelijks meer kennen, die in hun tijd de toon aangaven als het ging om nieuwe trends in de tuinarchitectuur, hun betekenis of plantverzamelingen? Hetzelfde geldt voor tuinen die juist niet origineel waren, maar voor ons een goed voorbeeld zijn van de dagelijkse praktijk van aanleg, gebruik, onderhoud en representatie van tuinen in het verleden, juist omdat ze van een type zijn dat veel voorkwam. Wat zijn de verschillen in ‘beleving’ en waardering van een nadien verdwenen tuin, enerzijds door een tijdgenoot die erin rondwandelde en anderzijds door ons, die deze in woord en beeld weer tot leven trachten te wekken?


 

Sion bij Rijswijk. Gravure door Pieter van Call, ca. 1725


Voorbeelden

Tuinen als Batestein (Vianen), Honselersdijk en Zijdebalen (Utrecht), waren in brede kring bekend in de tijd dat ze werden aangelegd. Hetzelfde geldt voor de befaamde tuintjes in Broek in Waterland, waar tal van buitenlandse toeristen zich over verbaasden, evenals voor de buitenplaatsen aan de Vecht. Maar wat weten we bijvoorbeeld over de beleving van het park van de buitenplaats Sion (Rijswijk), van Gijsbert van Hogendorp? Aan hem werd in 1711 een editie van A.J. Dezallier d’Argenvilles standaardwerk La théorie et la pratique du jardinage opgedragen. Waarop baseerde P.J. Lutgers zijn selectie van afbeeldingen van buitenplaatsen en hun parken in zijn Gezigten aan de rivier de Vecht (Amsterdam 1832) en soortgelijke prentenreeksen over de omgeving van Haarlem (1837-1842), Den Haag en Leiden (1855) en Utrecht (1869)? En wat zegt die selectie over de betekenis van die afgebeelde tuinen en parken? Welke tuinen en parken komen telkens weer voor in reisverslagen en waarom? Welke invloed hadden prenten en andere publicaties op de bekendheid en mogelijke voorbeeldfunctie van tuinen en parken voor andere buitenplaatsbezitters, stadsbesturen of (tuin)architecten?
Kortom, als we ons verplaatsen in de tuinliefhebber van eeuwen geleden, welke tuinen zou diegene dan als toonaangevend of representatief hebben aangewezen en waarom, en in hoeverre sluit dat aan bij wat we tegenwoordig als belangrijke – al dan niet verdwenen -historische tuinen zien? De uitdaging die Cascade stelt, is om door de ogen van de tuinliefhebber of -kenner van weleer naar verdwenen Nederlandse tuinen te kijken en die vragen trachten te beantwoorden, aan de hand van een aantal voorbeelden.


http://www.cascade1987.nl/jaarprogramma/