In het Tuinjournaal van september 2009 hebben wij aandacht geschonken aan de bedreiging van de door Mien Ruys ontworpen tuin bij het Rosa Spierhuis te Laren, Noord-Holland. In februari 2009 hebben de Bond Heemschut en de Nederlandse Tuinenstichting gezamenlijk aan B&W van Laren verzocht om het Rosa Spierhuis inclusief de tuin aan te wijzen als gemeentelijk monument. Door de geplande sloop en nieuwbouw zouden gebouw en tuin namelijk geheel verloren gaan. Daar volgens de gemeentelijke monumentenverordening van Laren een tuin uitsluitend als monument aangewezen kan worden in combinatie met een gebouw, was de samenwerking met Heemschut cruciaal. Helaas heeft zij niet mogen baten: het verzoek werd afgewezen.
De Commissie Welstand en Monumenten van de gemeente Laren had in december 2009 een advies uitgebracht aan B&W waarin ze stelt dat gebouw en tuin de potentie hebben om te worden aangewezen als gemeentelijk monument, daar de waarde van het complex groot en mogelijk uniek is. Zoals gebruikelijk in dergelijke gevallen adviseerde deze commissie om het complex nader te laten onderzoeken om de kernwaarden van het geheel vast te stellen. Daarna kon worden beslist over het verlenen van de monumentenstatus. Deze commissie benadrukt dat de monumentenstatus geen blokkade hoeft op te leveren voor aanpassingen nu en in de toekomst, waardoor het Rosa Spierhuis kan blijven voldoen aan de eisen van deze tijd. Opmerkelijk is dat de gemeente in een later stadium dit heldere advies van terzakekundigen heeft verdraaid in het tegenovergestelde.
Verzoek afgewezen
Reeds eerder (in februari 2009) hadden wij bericht ontvangen dat de gemeente voor 2009 had gepland om panden in de gemeente te beschrijven, om al dan niet tot aanwijzing als gemeentelijk monument over te gaan. Ons verzoek zou worden meegenomen in dit onderzoek en waar nodig worden onderzocht door een deskundige. Later bleek echter dat het Rosa Spierhuis door de gemeente is geschrapt van de lijst van te onderzoeken panden, zonder dat dit ooit aan ons is meegedeeld. Vervolgens stelde de gemeente ijskoud dat het initiatief voor aanvraag van de monumentenstatus van derden is uitgegaan en dat het derhalve niet aan de gemeente is om een opdracht voor nader onderzoek te verlenen.
In april 2010 heeft de gemeente ons verzoek afgewezen. Vervolgens dienden wij een bezwaar in bij de gemeentelijke Adviescommissie voor de bezwaarschriften. Deze Adviescommissie constateerde dat B&W hun besluit onvoldoende had gemotiveerd en dat in het besluit verzuimd is om aan te geven dat de tuin niet als monument zal worden aangewezen. Desalniettemin heeft B&W in januari 2011 na heroverweging besloten onze goed onderbouwde bezwaren af te wijzen, terwijl alle argumenten van de tegenpartij voor de tweede maal werden gehonoreerd.
Onvoldoende deskundigheid
Alles overziende is de indruk gewekt dat deze zaak een speelbal van de Larense dorpspolitiek is geworden. Saillant feit is dat het nieuw benoemde college van B&W in juni 2010 in haar collegeprogramma opneemt dat zij in planologisch opzicht zal meewerken aan verbouw of verplaatsing van het Rosa Spierhuis binnen Laren. Dit gebeurde terwijl ons beroep nog in procedure was. Het verzoek van Heemschut en de Nederlandse Tuinenstichting werd door de gemeente als ‘zeer ongepast’ gekwalificeerd; een brief van Mien Ruys uit 1972 is onjuist geïnterpreteerd; in de toelichting op het voorstel aan B&W om het Rosa Spierhuis niet als monument aan te wijzen werden door een ambtenaar na de datering wijzigingen aangebracht; dezelfde ambtenaar beweerde dat het complex geen monumentale waarde bezit en ging daarmee voorbij aan het advies van de Commissie Welstand en Monumenten.
Al met al een zeer onduidelijke gang van zaken die twijfels oproept over de transparantie van het proces. Bovendien wreekt zich het feit dat de gemeente Laren geen deskundige ambtenaar voor monumentenzaken in dienst heeft terwijl Laren een beschermd dorpsgezicht, meer dan tweehonderd beschermde monumenten en een groot aantal beeldbepalende panden binnen haar grenzen heeft; erfgoed dat zij zorgvuldig zou moeten koesteren. Helaas doen zich in verscheidene andere gemeenten die wel een afdeling monumentenzorg hebben, vergelijkbare problemen voor door zowel onderbezetting als onvoldoende deskundigheid.
Piet Bakker
Piet Bakker is lid van de Monumentencommissie. Hij heeft reeds tientallen jaren professionele ervaring met historische tuinen.
*Dit artikel is verschenen in het juni 2011 nummer van het Tuinjournaal.
Op 6 oktober a.s. start HAS KennisTransfer met de leergang Groen Ruimtelijk Erfgoed. De leergang is bedoeld voor mensen die betrokken zijn bij beleids‐ en planontwikkeling, realisatie en uitvoering in de groene erfgoed sector (denk aan ruimtelijke ontwikkeling, landschapsarchitectuur en cultureel erfgoed).
Tijdens de opleiding wordt onder meer gekeken naar historische, culturele en esthetische aspecten van tuin, park en landschap. Ook vormgeving, beheer en onderhoud van groen ruimtelijk erfgoed komt uitgebreid aan de orde. Het initiatief voor deze opleiding lag in handen van mr. drs. J.W. Edinga, voorzitter van Vereniging Kennisontwikkeling Groen Erfgoed en lid Monumentencommissie van de Nederlandse Tuinenstichting.
Meer informatie over de opleiding via Nathalie Roefs van HAS KennisTransfer.
Contactgegevens: Nathalie Roefs, adviseur opleidingen HAS KennisTransfer (Tel. 073‐692 3691) of ron@hasdb.nl
Vanuit haar jarenlange ervaring met historische tuinen en parken heeft de Nederlandse Tuinenstichting commentaar gegeven op het concept beheerplan van de Gemeente Haarlem voor het Frederikspark. Hieronder een ingekorte versie van deze reactie.
“De Nederlandse Tuinenstichting constateert dat de gemeente Haarlem zich bewust is van de schat aan historische parken die zij in eigendom heeft. Met name de verschillende generaties van de familie Zocher zijn van grote betekenis geweest voor het huidige aanzien van de stad. Het is dan ook geen wonder dat in Haarlem verscheidene van de door de Zochers ontworpen parken zijn aangewezen als rijksmonument. Dit brengt een zorgplicht met zich mee om dit waardevolle erfgoed op lange termijn in stand te houden. Het verheugt ons dat de gemeente de vermaarde landschapsarchitect Michael van Gessel heeft aangetrokken als supervisor van de gebiedsvisie waar het Frederikspark onder valt.
De gemeente beschikt over een uitstekende inventarisatie van de monumentale bomen in het Frederikspark. Wat ons opviel is dat op de plankaart van het Voorontwerp bestemmingsplan Frederikspark een veel kleiner aantal monumentale bomen is ingetekend dan in het beheerplan is aangegeven. Het zou goed zijn indien alle ontbrekende monumentale bomen (d.w.z. ook bomen die wel in het beheerplan vermeld staan) alsnog toegevoegd worden aan de bestemmingsplankaart.
De belangrijke publicaties over het Frederikspark van Uittenhout (1991 en 1992) zijn bij de totstandkoming van het beheerplan blijkbaar niet geraadpleegd. Tevens missen we het Masterplan dat SB4 in 2002 opstelde alsmede diverse publicaties van C. Oldenburger- Ebbers, E. Blok en E. de Jong over het Frederikspark. Via Google is de database ‘Zocher on line’ (totaal 159 pagina’s) voor een ieder toegankelijk. Op pag. 52 — 56 van deze website is het Frederikspark uitvoerig behandeld. Deze database lijkt niet geraadpleegd door de opstellers van het beheerplan.
Wij betreuren dat de fasen 2 en 3 van het renovatieplan 1995 nooit zijn uitgevoerd. Deze worden wel genoemd in het beheerplan maar er is geen budget ingepland. Wij adviseren u dringend om zorgvuldig te bezien of de genoemde eenmalige maatregelen alsnog in uw financiele meerjarenplanning opgenomen kunnen worden. Met name de versnippering die veroorzaakt is door de weg Frederikspark (tussen de Rustenburgerlaan en het Dreefplein) betekent nog steeds een inbreuk op de structuur van het park.
Een lastig punt zijn de jaarlijks terugkerende themamarkten en het popfestival. Er is behoefte aan een duidelijk standpunt over deze netelige kwesties. Uitgangspunt zou ons inziens de draagkracht van het park moeten zijn alsmede de vraag of er voldoende middelen beschikbaar zijn om herstel onverwijld mogelijk te maken (nog daargelaten de overlast en gebruikswaardeverlies die deze activiteiten opleveren voor de reguliere parkbezoekers). De inkomsten voor de gemeente van die evenementen worden deels teniet gedaan door de schade die optreedt, de kosten van toezicht en herstel alsmede de aantasting voor redelijk lange perioden van het verzorgde uiterlijk van het park. De kosten voor herstel zouden daarom meer expliciet mogen worden gemaakt.
Gezien de hierboven genoemde suggesties lijkt het vaststellen van een historische canon voor het Frederikspark zeer wenselijk. Zowel voor gebouwde monumenten als voor groene monumenten is zo’n canon zinvol. In het Frederikspark zouden alle ontwikkelingen op korte termijn zoals themamarkten en het popfestival maar ook de herinrichting van de openbare ruimte aan deze canon getoetst moeten worden.
Onze conclusie is dat de opzet van het beheerplan niet logisch is; er is geen afdoende onderzoek gedaan naar de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van deze bijzondere plek in Haarlem. Het ontbreekt aan historische fasenkaarten, een kaart met historische elementen (structuur- en beplantingselementen), een integrale waardenstelling, een visie die de betekenis van het park nu verwoordt en welke betekenis daaraan op basis van het historisch onderzoek en waardenstelling voor de komende decennia is toe te kennen. Dat vrijwel uitsluitend op bomen (de beplantingselementen) is gelet en niet op de structuurelementen (de paden, gazons, de eveneens als rijksmonument aangewezen villa’s, de omringende wegen en overige bebouwing ) is een groot tekort.
Pas als de tuinhistorische waardenstelling de toets der kritiek kan doorstaan, is de stap naar de visie en ontwikkeling van het streefbeeld te maken. Vanaf dat moment is integrale planontwikkeling mogelijk waarbij speciale aandacht vereist is voor de samenhang van interpretatie van het ontwerp en vormgeving, die leidt tot een beheer- en maatregelenplan dat gefaseerd tot uitvoering kan komen. Dat geldt in dit geval nog sterker omdat het om een beschermd groen rijksmonument gaat dat in een stedelijk weefsel ligt en daarmee verbonden is en daardoor begrensd wordt.
Wij dringen er bij u op aan om eerst het tuinhistorisch onderzoek en waardenstelling uit te laten voeren en dit met een in te stellen begeleidingscommissie te bespreken. Aan de hand van de waardenstellingen is vervolgens te bepalen welke instandhoudingsvisie ontwikkeld wordt. Wij kunnen aangeven wat in dit geval een zorgvuldige werkwijze is om tot een instandhoudings- en beheerplan te komen. Tevens bieden wij u hierbij aan om desgewenst te participeren in een te formeren begeleidingscommissie van deskundigen.
Wij hopen dat bij de verdere procedure, die het concept beheerplan voor het Frederikspark doorlopen gaat, onze aantekeningen kunnen worden meegenomen en wachten de ontwikkelingen met belangstelling af.”